banner.jpg

Het opsporingsproces

In het WSCS-OCE wordt de procesgang verdeeld in twee hoofdfasen, namelijk:

  • vooronderzoek;
  • opsporing.

Het opsporingsproces valt uiteen in de volgende handelingen:

  • benaderen (detecteren, interpreteren, lokaliseren en laagsgewijs ontgraven) ;
  • identificeren;
  • tijdelijk veiligstellen van de situatie;
  • de overdracht van CE aan EODD;
  • oplevering.

 
Onder benaderen wordt het geheel van detecteren, interpreteren, lokaliseren en laagsgewijs ontgraven van Conventionele Explosieven verstaan. In het WSCS-OCE staan de eisen voor de uitvoering van de verschillende handelingen in het opsporingsproces gedetailleerd beschreven. Verder is aangeven welke personele deskundigheid bij welke handeling minimaal is vereist.
 
Voorafgaand aan de uitvoering vindt de werkvoorbereiding plaats. Dit resulteert in een projectplan, die moet worden goedgekeurd door de verantwoordelijke voor openbare orde en publieke veiligheid van de gemeente waarbinnen het opsporingsgebied is gelegen. In het WSCS-OCE is ook veel aandacht voor de afstemming tussen de opsporingsbedrijven en de EODD. In bijlage 1 van het WSCS-OCE zijn hieraan eisen gesteld.
 
Eindresultaat van het project is het procesverbaal van oplevering, inclusief een kaart van het opsporingsgebied geprojecteerd in een ondergrond van de omgeving (GBKN). In het proces-verbaal wordt onder andere aangegeven welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en welke Conventionele Explosieven zijn aangetroffen.
 
Een belangrijk onderdeel van de opsporing is het detectieonderzoek. Voor het uitvoeren van het detectieonderzoek kunnen uiteenlopende detectiemethoden en -technieken worden ingezet. In het WSCS-OCE is opgenomen dat detectieapparatuur initieel moet worden gevalideerd. Op basis daarvan kan worden vastgesteld welke detectiemethode in welke situaties en omstandigheden toepasbaar is.


Ga terug naar WSCS-OCE.