banner.jpg

Gewijzigde methode vooronderzoek OCE

In 2010 heeft de VEO het initiatief genomen om de eisen die in de toenmalige Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (hierna BRL-OCE) werden gesteld aan het vooronderzoek te evalueren. Deze evaluatie is uitgevoerd door een Werkgroep Vooronderzoek OCE (hierna Werkgroep), bestaande uit deskundigen uit het werkveld. Bij de evaluatie zijn ook eerdere reacties uit het werkveld betrokken.
 
Een concept van de gewijzigde methode vooronderzoek is door VEO leden vanaf medio 2010 bij wijze van richtlijn toegepast bij. Hierdoor is praktijkervaring opgedaan met het toepassen van de nieuwe methode. In 2011 zijn de ervaringen geëvalueerd. De verbeterde versie van de methode vooronderzoek is in september 2011 voorgelegd aan het Centraal College van Deskundigen OCE, met het verzoek om deze op te nemen in het Werkveldspecifiek certificatieschema OCE (WSCS-OCE). Inmiddels is het WSCS-OCE vastgesteld, inclusief de gewijzigde methode vooronderzoek. Klik hier voor meer informatie over het WSCS-OCE.
 

Ter toelichting op de gewijzigde methode vooronderzoek nog het volgende.

  • De aanleiding van de ontwikkeling van een gewijzigde methode voor vooronderzoek is mede gelegen in de opmerking uit het werkveld (zowel bij opdrachtnemers als opdrachtgevers) dat de eisen betreffende het vooronderzoek in de toenmalige BRL-OCE onvoldoende concreet / normatief waren. Bij de evaluatie is met deze kritiek nadrukkelijk rekening gehouden.
  • De BRL-OCE maakte voor het vooronderzoek onderscheid in de hoofdfasen probleeminventarisatie en probleemanalyse. De probleeminventarisatie omvatte het inventariseren van (historisch) feitenmateriaal. De probleemanalyse omvatte de beoordeling van het historisch feitenmateriaal, met het oog op de vaststelling van de mogelijke aanwezigheid, de aard en omvang van conventionele explosieven. Er werd dus onderscheid gemaakt in twee aparte onderzoeksfasen, terwijl alleen de probleemanalyse leidde tot een concreet en bruikbaar onderzoeksresultaat. Bovendien gaven de termen probleeminventarisatie en –analyse in de praktijk aanleiding tot verwarring over de betekenis en bedoeling van deze stappen / onderdelen van het vooronderzoek. In de gewijzigde methode is dat verduidelijkt.
  • Belangrijke verbetering is dat, ten opzichte van de BRL-OCE, gedetailleerd staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (ten minste) dienen te worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal dient plaats te vinden. Hiermee is de ‘minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven. Voorts zijn duidelijke eisen gesteld aan de output van het vooronderzoek, namelijk een rapportage en een CE bodembelastingkaart.
  • Verder zijn in de gewijzigde methode concrete bepalingen opgenomen over de wijze waarop het verdachte gebied horizontaal en verticaal wordt afgebakend.
  • In het werkveld is de behoefte aan een zogenoemde quick-scan geuit. Door de Werkgroep is nagegaan of het mogelijk is om hiervoor een methodiek uit te werken. Vastgesteld is dat de quick-scan tot doel heeft om op basis van beperkt historisch feitenmateriaal te beoordelen of er een vermoeden bestaat dat in een bepaald gebied CE kunnen worden aangetroffen. De werkgroep achtte dat niet mogelijk en verantwoord om dit te beoordelen op basis van een inventarisatie van slechts enkele bronnen. Als alternatief is er voor gekozen om in de normtekst duidelijker te omschrijven welke bronnen, afhankelijk van de situatie, wel / niet dienen te worden geraadpleegd en het eindresultaat van het vooronderzoek concreter te formuleren.
  • Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. In de proceslijn van het CS-OCE wordt het vooronderzoek bij de conclusie verdacht gevolgd door opsporing. Binnen het werkveld is er echter ook in toenemende mate behoefte om voorafgaand daaraan een zogenoemde risicoanalyse uit te voeren, waarin wordt nagegaan wat de risico's van de aanwezigheid van CE zijn in relatie tot de toekomstige gebruiksfuncties binnen het onderzoeksgebied.
  • In de BRL-OCE werd weliswaar gesproken over “een evaluatie van de risico's van de vermoede CE in relatie tot het toekomstige gebruik van de locatie”, maar een onderzoeksmethode hiervoor ontbreekt. Bovendien bestaat er thans geen eenduidig en gelegitimeerd normenkader op basis waarvan de risico's van CE kunnen worden beoordeeld. De VEO heeft hiervoor inmiddels diverse keren de aandacht gevraagd bij onder andere het ministerie van BZK. Tot op heden heeft dat niet tot resultaat geleid.
  • Binnen de VEO wordt gewerkt aan een methode voor het uitvoeren van een Projectgebonden Risicoanalyse. Al langer wordt bij betrokken overheidsorganisaties gepleit voor de ontwikkeling van een normenkader voor de beoordeling van OCE risico's.


Ga terug naar Vooronderzoek.