banner.jpg

Vooronderzoek

In het WSCS-OCE wordt de procesgang verdeeld in twee hoofdfasen, namelijk:
  • vooronderzoek:
  • opsporing.
Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied af te bakenen. 


Indien er bij voorgenomen (bouw)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van CE in de (water)bodem, zal eerst een Vooronderzoek moeten worden uitgevoerd. De opdrachtgever is daarvoor verantwoordelijk (bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit, V&G voorbereidingsfase). Zie voor meer achtergrondinformatie onze Position paper certificatieplicht en deelgebieden WSCS-OCE.


De Inspectie SZW ziet daarop actief toe en treedt zo nodig handhavend op. De Inspectie stelt in paragraaf 9.4 van haar Sectorrapportage Grond-, Weg- en Waterbouw 2014 daarover het volgende.

  • Inspecteurs treden streng op wanneer geen of onvoldoende onderzoek uitgevoerd is naar de aanwezigheid van explosieven. Het werk wordt stilgelegd vanwege het direct aanwezige gevaar voor werknemers en omstanders. Opdrachtgevers (vaak gemeenten en waterschappen) hebben de plicht in de ontwerpfase de juiste onderzoeken te (laten) verrichten. Zo voorkomen zij dat in de uitvoeringsfase risico’s ontstaan.
  • Het vooronderzoek moet voldoen aan de proceseisen uit de WSCS–OCE. Daarmee legt een  opdrachtgever de basis voor het goed en gedetailleerd in kaart brengen van verdachte gebieden. Gecertificeerde opsporingsbedrijven mogen alleen starten met de opsporings- en benaderwerkzaamheden als de verdachte gebieden goed in kaart zijn gebracht.
  • Tot 1 juli 2012 gold een brancherichtlijn (BRL-OCE). Onderzoeken die gedaan zijn volgens die richtlijn zijn niet actueel en onvolledig. Inspecteurs hebben ernstige situaties geconstateerd waarbij werkzaamheden in op “explosieven vrijgegeven gebieden” zijn uitgevoerd en waar toch nog CE werden aangetroffen. De oorzaak lag dan in het onvolledige vooronderzoek, de deskundigheid van de aannemer en de druk van de opdrachtgever op de voortgang van de werkzaamheden.
In paragraaf 6.5 van het WSCS-OCE staan de concrete eisen beschreven. Het vooronderzoek valt uiteen in de volgende hoofdonderdelen:
  • inventariseren van bronnenmateriaal;
  • beoordelen en evalueren van bronnenmateriaal;
  • rapportage en CE bodembelastingkaart.
In het WSCS-OCE staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (ten minste) dienen te worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal dient plaats te vinden. Hiermee is de ‘minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven.
 
Verder zijn concrete eisen gesteld aan de output van het vooronderzoek; een rapportage en een CE bodembelastingkaart.
 
In paragraaf 6.5 en bijlage 3 van het WSCS-OCE zijn verder concrete bepalingen opgenomen over de wijze waarop het verdachte gebied wordt afgebakend.
 
Ten opzichte van de voormalige BRL-OCE zijn de eisen gesteld aan het vooronderzoek in 2012 aanzienlijk aangepast. Klik hier voor meer informatie over de aanleiding daarvan en de belangrijkste wijzigingen.