|
Hieronder treft u een toelichting aan op het concept van de gewijzigde methode vooronderzoek (juli 2010.
- De evaluatie is een vervolg op de eerdere evaluatie van de BRL-OCE, waarvan de resultaten inmiddels zijn verwerkt in het CS-OCE. De aanleiding van de evaluatie is mede gelegen in de opmerking uit het werkveld (zowel bij opdrachtnemers als opdrachtgevers) dat de huidige normtekst betreffende het vooronderzoek onvoldoende concreet / normatief is. Bij de evaluatie is met deze kritiek nadrukkelijk rekening gehouden.
- De huidige normtekst voor het vooronderzoek (zie BRL-OCE en concept CS-OCE) maakt onderscheid in de hoofdfasen probleeminventarisatie en probleemanalyse. De probleeminventarisatie omvat het omvat het inventariseren van (historisch) feitenmateriaal. De probleemanalyse omvat de beoordeling van het historisch feitenmateriaal, met het oog op de vaststelling van de mogelijke aanwezigheid, de aard en omvang van conventionele explosieven. Volgens de huidige normtekst in de BRL-OCE wordt dus onderscheid gemaakt in twee aparte onderzoeksfasen, terwijl alleen de probleemanalyse leidt tot een concreet en bruikbaar onderzoeksresultaat. Bovendien geven de termen probleeminventarisatie en –analyse in de praktijk aanleiding tot verwarring over de betekenis en bedoeling van deze stappen / onderdelen van het vooronderzoek. In het concept van de gewijzigde methode is dat verduidelijkt.
- Belangrijke verbetering is dat, ten opzichte van de huidige normtekst, gedetailleerd staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (ten minste) dienen te worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal dient plaats te vinden. Hiermee is de ‘minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven. Voorts zijn duidelijke eisen gesteld aan de output van het vooronderzoek, namelijk een rapportage en een CE bodembelastingkaart.
- Verder zijn in het tekstvoorstel concrete bepalingen opgenomen over de wijze waarop het verdachte gebied horizontaal en verticaal wordt afgebakend. In de normtekst wordt daarbij verwezen naar een bijlage. Deze wordt de komende tijd op onderdelen overigens nog nader ingevuld.
- In het werkveld is de behoefte aan een zogenoemde quick-scan geuit. Door de Werkgroep is nagegaan of het mogelijk is om hiervoor een methodiek uit te werken. Vastgesteld is dat de quick-scan tot doel heeft om op basis van beperkt historisch feitenmateriaal te beoordelen of er een vermoeden bestaat dat in een bepaald gebied CE kunnen worden aangetroffen. De werkgroep acht het niet mogelijk en verantwoord om dit te beoordelen op basis van een inventarisatie van slechts enkele bronnen. Als alternatief is er voor gekozen om in de normtekst duidelijker te omschrijven welke bronnen, afhankelijk van de situatie, wel / niet dienen te worden geraadpleegd en het eindresultaat van het vooronderzoek concreter te formuleren.
- Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. In de proceslijn van het CS-OCE wordt het vooronderzoek bij de conclusie verdacht gevolgd door opsporing. Binnen het werkveld is er echter ook in toenemende mate behoefte om voorafgaand daaraan een zogenoemde risicoanalyse uit te voeren, waarin wordt nagegaan wat de risico's van de aanwezigheid van CE zijn in relatie tot de toekomstige gebruiksfuncties binnen het onderzoeksgebied.
- In de huidige normtekst van de BRL-OCE / CS-OCE wordt weliswaar gesproken over “een evaluatie van de risico's van de vermoede CE in relatie tot het toekomstige gebruik van de locatie”, maar een onderzoeksmethode hiervoor ontbreekt. Bovendien bestaat er thans geen eenduidig en gelegitimeerd normenkader op basis waarvan de risico's van CE kunnen worden beoordeeld. De VEO heeft hiervoor inmiddels diverse keren de aandacht gevraagd bij onder andere het ministerie van BZK. Tot op heden heeft dat niet tot resultaat geleid.
- Binnen de VEO wordt de komende tijd gewerkt aan de ontwikkeling van een methode voor de risicoanalyse. Aan de orde is dan ook de vraag of dit wordt opgenomen in het CS-OCE, of dat deze methode beter in een separaat (norm)document kan worden opgenomen. Hiervoor zal een voorstel aan het CvD-OCE worden gedaan. Tevens zal opnieuw bij betrokken overheidsorganisaties worden gepleit voor de ontwikkeling van een normenkader voor de beoordeling van deze risico's.
Meteren, juli 2010
|